Genealogisch Onderzoek

 

Onderzoek in Zeeland en Vlaanderen

 

Hier wordt ingegaan op enkele bronnen, die belangrijk zijn voor het genealogisch onderzoek in Zeeland en Vlaanderen. Over genealogie in het algemeen kan de amateur of belangstellende veel informatie vinden in bibliotheken en op het internet. De specifieke bronnen, die gebruikt zijn voor de stambomen en kwartierstaten op deze site wordt verwezen naar Bronnen / Sources onder het menu Pedigree (Kwartierstaat).

 

De onderwerpen, die hier aan de orde komen:

 

1. Zeeuwen Gezocht

 

 Zeeuwen Gezocht

 

Zeeuwen Gezocht is een onderdeel van het Zeeuws Archief. In de laatste decennia zijn inmiddels zo'n 8 miljoen acten van geboorte, huwelijk en overlijden beschikbaar gekomen. De registers van de Burgerlijke Stand in Zeeuws-Vlaanderen zijn de oudste van Zeeland en beginnen in 1795, toen de regio deel was van het 'departement de l'Escaut' van het Franse Keizerrijk. Van een deel van de acten is ook een scan van het originele document opgenomen of het kan besteld worden. Er zijn ook vele andere bronnen beschikbaar: emigranten, foto's, bidprentjes, e.d. 

 

2. Het Rijksarchief België

 

Rijksarchief België

 

In België zijn helaas geen gegevens publiek beschikbaar jonger dan 100 jaar. Het Rijksarchief heeft echter een fraaie website waarop al de parochieregisters vanaf de tweede helft van de 16e eeuw in hun originele vorm doorzocht kunnen worden. De parochieboeken zijn indertijd op microfilms gezet door de Mormonen en het Rijksarchief heeft van al deze films een scan gemaakt. Indexen uit het einde van de 19e eeuw vergemakkelijken het opzoeken. In de stamboom / kwartierstaat voor familieleden zijn veel acten van de familie Van Haelst opgenomen uit registers van de parochies in het Waasland (provincie Oost-Vlaanderen, arrondissement Dendermonde). Van de familie De Meijer komen ze uit het arrondissement Gent (Lochristi, Zeveneken, enz.).

 

Franciscus Bernardus de Meijer Cornelis Josephus van Haelst
huwelijksacte van Franciscus Bernardus de Meijer gevonden m.b.v. Zeeuwen Gezocht doopacte van Cornelis Josephus van Haelst uit 1781, Verrebroek, gevonden in het RA Beveren

 

3. Vlaamse Stam

 

Is het tijdschrift voor familiegeschiedenis van de vereniging Familiekunde Vlaanderen. Het speciale dubbelnummer over Zeeuws-Vlaanderen van november-december 2001, 37e jaargang nummer 11-12 was een onschatbare bron over de families die op deze website worden besproken. Later publiceerde Paul de Meijer zijn artikel "De wortels van het Zeeuws-Vlaamse geslacht de Meijer: voor 1997 in het huidige Oost-Vlaanderen" in Vlaamse Stam, 45e jrg Nr 2, maart-april 2009.

 

4. Cijnsboeken in het Waasland

 

In zijn boek "Genealogie van het Zeeuws-Vlaamse Geslacht Puylaert" beschreef prof. dr. Carl Puylaert (1923-2012) alle bronnen, die hij voor het geneaologisch onderzoek naar zijn familie had gebruikt. De Puylaert kwamen uit het Waasland en met name uit Belsele. Familieleden kunnen dit boek integraal lezen op deze website. Een belangrijk plaats in dat onderzoek - en dat geldt ook voor de andere families die besproken worden op deze site - werd en wordt ingenomen door de Cynsboeken en daarom plaatsen we hier een samenvatting van dat hoofdstuk uit zijn boek. 

 

De Hoofdcynsboeken

 

Hoofdcynsboek 

Het kostbare Hoofdcijnsboek van het R.A. in Beveren. 

 

Het land van Waas is gezegend met zeer veel mogelijkheden voor de familie-onderzoeker Roelstraete zegt terecht in zijn bekende handleiding, dat voor genealogen in deze streek de Cijnsboeken een bron zonder weerga zijn. Ook Rottier vermeldt dat uitvoerig in het voorwoord van zijn kwartierstaat. De vroegste gedeelten van onze kwartierstaten berusten op de cynsboeken. Opname in die Cynsboeken heeft ook een maatschappelijke betekenis.

 

Gravin Margaretha, dochter van Boudewijn, Keizer van Constantinopel heeft in 1252, uit medelijden met de landelijke bevolking van Vlaanderen, die bevolking bevrijd van het recht, dat de Heer toestond, bij overlijden de helft te eisen van alle bezit. Men ging er in die arme tijden blijkbaar van uit, dat er een mond minder te vullen was, een bed minder te beslapen. Margaretha noemde dat slavernij. Het recht van de Heer werd voortaan beperkt tot opeisen van het beste hoofd of katheyl, d.i. het beste meubel of dier. Men treft daarom in de oude baljuw-boeken vaak de term “trespas” ofwel overlijden aan, met de mededeling dat het voornaamste katheyl, meestal de koe, in beslag wordt genomen (en teruggekocht voor een paar pond). Bovendien stelde zij nog een andere mogelijkheid in om nog grotere vrijheid te bereiken, namelijk dat bepaalde families “zich onder bescherming konden stellen” van een kerk of klooster. Dan verviel ook de regel van het beste katheyl. Wel betaalde men per hoofd een vastgesteld bedrag per jaar, of per bruiloft of overlijden aan dat klooster of die kerk, maar dat was veel milder, en het voorrecht bij de kloosterfamilie te horen was zeer begeerd. Zij gaf drie redenen voor deze nieuwe regeling:

 

1. De drukkende slavernij te doen ophouden en voor allen een voordelige vrijheid in te voeren. 

2. De waarde van het land, tot dan toe woest en verlaten, te doen toenemen.

3. De kloosters en kerken op deze wijze krachten te leveren om de grote landerijen die zij ook maar gekregen hadden, te (laten) bewerken.

 

Alleen bepaalde "deftige" of "eerlijcke" families konden op die wijze onder bescherming komen van kerk of klooster, en ontslagen worden van hun verplichtingen aan hun vorst. "Eerlijck" betekent hier "Van Eer". In plaats daarvan moesten zij dus een aantal vaste betalingen doen, jaarlijks en bij huwelijk of overlijden. Dit werd allemaal genoteerd door jaarlijks rondreizende monniken. Dit waren erfelijke plichten, maar de erfplicht liep via de dochters, zodat het terugvinden van voorouders in mannelijke rechte lijn een moeilijk werk is, maar het vinden van moeders en moeders van moeders voor een kwartierstaat juist dankbaar werk is.

 

De Burbure (1879) heeft hier het eerst over gepubliceerd in de Annalen van de Oudheidkundigen Kring van het Land van Waas en kon melden dat reeds in 1243 een aantal families werd opgenomen. Annaert kon in dezelfde Annalen (1895) melden dat hij een heel lijvig boek gevonden had. Evenwel pas sinds zij door de A. van Geertsom en G. Roggeman in moderne uitvoering zijn uitgegeven, is bestudering goed mogelijk geworden. Zie literatuurlijst.

 

In de laatste jaren zijn nu digitale versies van de Cijnsboeken ter beschikking gekomen, gebaseerd op het werk van Jean-Pierre Vaneygen en Luc De Backer uit St. Niklaas, en Onno Rottier. Deze vermelden bovendien nog andere gegevens als die ergens samenhang hebben (daarnaast heeft deze groep zowel de parochiearchieven als de Staeten van Goed bewerkt).

 

Vele voorouders zijn daaruit in onze kwartierstaat terecht gekomen Maar er staan nog zeer vele namen in, die zeker bij de familie horen. Veel studie is nog mogelijk. In combinatie met andere bronnen levert dat lijnen op naar nog oudere bronnen. Zo zijn de lijnen tot de Karolingen allen hieruit voortgekomen (via Van Gavere en De Jonghe door Dr H.C.E.M. Rottier). De 2 oudste generaties Van Puylaert konden wij ook uit de cynsboeken vaststellen, maar er staan nog tientallen Van Puylaert's, ook in de alleroudste van 1243, gepubliceerd door de Burbure. Die kunnen wij nog niet aansluiten. Ook veel andere kwartieren komen uit deze bron. Vermeld wordt dan HCyB of HCyW, dat is Hoofdcynsboek St Baafs of Land van Waas (bij W met blz, en bij B met plaatsnaam, want die bewerking is niet doorlopend gepagineerd).

 

Sociale betekenis van inschrijving in de cynsboeken

 

Opname in de Cynsboeken was een voorrecht, en leidde tot vorming van een sociale bovenlaag. Geertsom en Roggeman melden dat zeker in de eerste 2 eeuwen de cynsplichtigen zich ervan bewust waren tot een hogere klasse te behoren en zij huwden ook in dezelfde klasse. De cynsplichtigen werden uit de "vrijen" gekozen, een status waar ook hoge prijs op werd gesteld. Bekend is dat o.a. door een proces dat een van onze voormoeders, Gertrude Van Eechaute, gehuwd met Boudewijn Van Remoortere, met haar zuster Mabilde Van Eechaute voerde (en won) in 1249 tegen de Graaf van Vlaanderen, die niet wilde erkennen dat zij vrij waren. De overwinning werd plechtig in de Kerk gevierd. (Van Den Bogaerde, ”Land van Waes” cit. AOKLW deel 58, blz 80).

 

De groepen waaruit gerecruteerd werd noemde men  "bene nati", "welgeborenen" of "boni homines", "homines boni opinionis". Ook van elders komende gezinnen konden onder deze bescherming van Kerk of Klooster vallen, maar moesten wel "vrij" zijn. In Warlop lezen wij dat er een relatie is tussen "nobilis" en "vrij". Ook doet dit denken aan de "bene nati" in Holland, beschreven door Koene in Jaarboek 1997 van het C.B.G. Hij is van mening dat men hier mogelijk te maken heeft met de resten van een vroegere bovenliggende groep, bivoorbeeld afstammend van een prefeodale boeren adel, uit de overheersende Frankische "adel", ver voor het ontstaan van de ridderstand. Hij steunt hierbij op Gosses (1926). Ook Mevr. Prof. De Winter (Utrecht) is van die mening.

 

Veel inzicht bood de dissertatie van P.C. Boeren (Nijmegen 1933): "Les tributaires d'Eglise dans la Comté de Flandre du IXe au XIVe siècle". Enkele citaten hieruit demonstreren dat goed. Wij vonden ook steun in dit werk van Boeren voor wat betreft de gelijkenis tussen Holland en Vlaanderen "... plein Liberté qui en Flandre comme dans le Comté de Hollande, et dans toutes les Regions qui avaient été colonisées par les tribus franques, etaient devenues en quelque sorte synonyme de noblesse..."

 

De tributaires werden op de terreinen van St Pieter Gent   "...désignées comme hommes de veille race" en dat in prachtig oud-Vlaams "...die van hauden tijde en van hauden troncke zijn ingheboren..." (uit oude tijden en oude stam geboren),  "...un groupe rural par excellence..." "...Bene nati designait des classes superieures non-senatoriales...".

 

Wel zeker speelt hierbij ook een grote rol de binding aan de grond. Ook de verschillende feodale (achter)lenen hebben die betekenis. Zowel de oudere De Jonghe's als de oudere Puylaert's, die leiden tot de Van Gavere (en zo tot de Karolingen) bezitten nog feodale lenen. Ook hun afstammelingen trachten steeds op eigen grond te werken. De Burbure verbaast zich erover in 1879  "avec quelle persistance les familles flamandes restent attachées au lieu de leur origine" ("Familles affranchis en 1243").

 

Boeren berekent dat het aantal tributaires in Vlaanderen kan geschat worden op 20.000 van de bevolking van 200.000. Baudeloo had 4000 tributaires. Rottier houdt het totaal op 10.000. Het voorrecht blijkt ook uit "gaudeant igitur bene nati", "laten de welgeborenen zich verheugen." In het begin is een zekere welvaart in het geding, later worden ook deze groepen niet gespaard voor de ellende van oorlog en plundering. Koene beschrijft dat ook in Holland deze welgeborenen zich ten slotte niet onderscheidden van de andere bevolking. A.S. De Blécourt vermeldt in zijn "Kort begrip van het oud-Vaderlands burgerlijk recht" ook deze "bene nati" als afkomstig van een vroegere elite (1932).

 

Verarming van de landadel: verderding

 

Men kan zich natuurlijk afvragen, hoe het mensen uit die hogere groep verder verging. Misschien biedt een artikel door E.H. De Wilde geciteerd door De Groot een oplossing, omdat zij spreken over de verarming van de landadel, vooral door de verderding. Verderding betekent dat twee-derde voor de oudste is, en een-derde voor de andere kinderen. 

 

De overeenkomstige situatie in het meer westelijke gebied

Voor het westelijk deel van Zeeuws Vlaanderen en het Vlaams gebied daaronder bestaan geen cynsboeken. Maar ook in dat gebied tonen de kwartieren dezelfde kenmerken: grote boerderijen, verwante families die het ambt van schout, schepen of burgemeester bekleden en welgesteld zijn. Deze indruk is nog eens bevestigd door de publicatie van Ronse De Crane over de studiebeurs Van De Woestijne en de geschiedenis van Everghem en Ertvelde door A. De Vos. 

 

R. Buyck uit Kaprijcke maakte een demografie met gegevens uit de parochieregisters. Uit o.m. de klasse waarin iemand begraven werd, kon hij een soort laagvorming vaststellen, waarbij bepaalde families steeds weer de meest belangrijke bleken. Claeys, De Causemaecker, De Coorebyter, De Decker, De Paepe, De Rycke, Dhanens, Dauwe, Haverbeke, Huyghe, Speeckaert, Temmerman, Thomaes, Wauters, Van Waes zien wij in de kwartierstaat als grondbezittende boeren. Dat beeld komt ook overeen met het door Van Cruyningen in zijn dissertatie geschetste beeld van de "landbouwersnetwerken" die hij ziet van de Pyreneën tot hier.

 

Een zeer duidelijk inzicht daarin krijgt men uit het recente (2001) werk van De Meijer over het geslacht Haverbeke. Die laat een opeenstapeling zien van families, grondbezit, functies die verbluffend is. Bijna alle huwelijken vereisen dispensatie, soms zelfs Pauselijke, en bijna alle doop- en huwelijksgetuigen zijn uit dezelfde families. De Meijer geeft zelfs enkele schematische overzichten van de functies van familieleden van Haverbekes: echtgenoten en hun vaders, schoonvaders, maar ook van hun aanzienlijke bezittingen in land. Er zijn ook vele lenen in dat bezit, en de familie De Rycke heeft de titel Heer van Westgaver in handen vanaf 1270 tot 1764, die ook in de kwartierstaat van de kinderen Puylaert-Raymakers te vinden is van begin tot eind. Het is ook hier duidelijk dat het landbezit een vaste factor is, die de families steun geeft.

 

Het is ook hier duidelijk dat in De Vier Ambachten en Oost Zeeuws-Vlaanderen het landbezit een vaste factor is, die de families tot steun is en leidt tot introuw. Namen als Van Aacker, Vael, Stael, Vereecken, Van (H)Aelst, IJsebaert, Puylaert, Govaert, Verhelst, Termote, ziet men in iedere landbouwerskwartierstaat. Deze geslachten hebben vaak weer banden, of zijn afkomstig uit het Westen: Van Acker, Van Waes, IJsebaert.

 

5. Het archief van de abdij Baudeloo

 

Een bijzondere bron voor het Waasland zijn de archieven van de Baudelo-abdij in het Rijksarchief (RA) Gent. Die abdij was gelegen in Klein‑Sinaai ten noorden van Belsele. In het archief zijn verpachtingen van land en tienden over vele eeuwen te vinden. Van 1197 tot 1578 zijn alle registers van Waas daar destijds bewaard. Het archief is gelukkig bewaard. Merkwaardig is, dat een deel in 1924 is ontdekt op de zolder van brouwerij de “Oranjeboom” in Rotterdam, hetgeen beschreven is door A.C. Kersbergen en E. Wiersma in het jaarboek van de Oudheidkundige kring “DeVier Ambachten” Hulst 1931.

 

Abdij van Baudeloo

 

Het grote klooster Baudeloo

 

Een dergelijke abdij biedt een romantische kijk op de wereld van toen. Bij de stichting was het gebied woest, bebost, heide. De Abdij  is gesticht in 1197 door de monnik Boudewijn Van Boekel (De Bocla), door toedoen van Boudewijn IX van Constantinopel, graaf van Vlaanderen. Het was de grootste abdij van het Waasland. De Stichter had de opdracht dat gebied te ontginnen, zodat het opbrengst boodt voor de kerk. Eigenlijk was een groot deel van Vlaanderen nog onontgonnen. Hetzelfde lezen wij bijv. ook over IJzendijke. De steden Gent en Brugge bloeiden al. Het hele beeld doet denken aan het vaak genoemde feit “dat Vlaanderen een golf nieuwe inwoners kreeg” en ik koester persoonlijk altijd de mening, dat de afbrokkeling van het Romeinse Rijk in het Oosten, waar nu grote steden verlaten onbeschadigd onder het zand gevonden worden in Syrië en Jordanië, wel eens een oorzaak van deze volksverhuizing kon zijn.

 

Baudelo bezat vele tienden en alle novale tienden in het land van Waas.

 

De tienden van Belsele behoorden toe aan:

- Baudeloo – uit gift van Walter de Menis in 1220. De pastoor krijgt 2 schoven van de tienden.

- De Bisschop van Doornik en het Kapittel.

- Het Klooster van Nonnebosch.

- Maximiliaan van der Gracht, causa uxor 

(L.A.Warnkonig:”Histoire de Flandre”)

 

In 1578 is de abdij door Gentse Calvinisten geplunderd en verwoest. Een deel van de buit is onlangs terug gevonden in de (RK) St-Petruskerk in Leiden: Kazuifels van de abt Jan Van Deinse uit 1540 (beschreven door J.J. Brakel). In de Grote Kerk in Vlaardingen staat een Van Peteghem-orgel dat van Baudeloo gekocht is in 1764 en dus uit het Refugium stamt. De abdij is in Gent in een Refugium (letterlijk vluchtplaats) gebleven tot de Franse Revolutie. 

 

Van het archief bestaat een mooie inventaris door Asaert uit 1976, die het opzoeken zeer vergemakkelijkt. Wij hadden het geluk niet alleen vele Puylaert’s te vinden, maar ook vonden wij daarin gedurende vele eeuwen het veld "den Puylaer", en de taalkundige evolutie van “De Puunlaer” tot “De Puylaert”. De vele Van Pulaere’s tussen 1300 en 1600 hopen wij nog aan te sluiten, bij jongere is dat reeds gelukt, met name zijn Jacob en Mattheus I (Van) Puylaert rond 1610 tientallen jaren pachters geweest van de heffing van tienden, dus een soort ontvangers voor Baudelo.

 

De Ann.L.v.W (Deel 53, blz 120) geven een goed overzicht.

 

De Heer Alf. De Belie, is een bevlogen liefhebber van de historie van Baudeloo en heeft in vele boeken zijn bevindingen en grote kennis vastgelegd.