Verrebroek

 

Het dorp Verrebroek speelt een grote rol in de geschiedenis van onze voorouders. In zijn ruim 150 pagina's tellende monografie "Het Gelacht Van Haelst in Verrebroek"  gaat Guy van Haelst in op de plaats van onze voorouders in de samenleving van Verrebroek en omliggende polders en dorpen. 

 

De oprukkende haven en industrie westelijk van Antwerpen hebben het gebied onder de voet gelopen. Veel boerderijen zijn verdwenen, in de Prosperpolder is 'nieuwe natuur' gecreëerd en de Hedwigepolder, aan de Zeeuws-Vlaamse kant, wordt opgeofferd aan de 'natuurcompensatie'. De journalist-schrijver Chris de Stoop, boerenzoon uit St. Gillis-Waas, heeft hier een paar mooie boeken over geschreven: 'De Bres' en 'Dit is mijn Hof'. Lees meer...

 

Hieronder staat een samenvatting van een artikeltje, dat Guy van Haelst wijdde aan Verrebroek als bijlage bij zijn 'Mededelingen' betreffende onze familiegeschiedenis en genealogie. De passages, die al in de eerder genoemde monografie voorkwamen, zijn weggelaten.

 

 

Brouc aen de Verre

 

door Guy van Haelst

 

In de geschiedenis van ons geslacht vormt de oude poldergemeente Verrebroek (sedert 1977 fusiegemeente met Beveren) een belangrijke schakel tussen de 17e en 18e eeuw in. Vóór die tijd woonden onze voorouders in Belsele (gefuseerd met Sint-Niklaas) en, voor zover we konden nagaan in de cijnsboeken, nog eerder rond Eksaarde, Daknam en Dendermonde.'Zie de monografiën 'Speurtocht door de Middeleeuwen' en 'De Leenheren van het geslacht Van Haelst'.

Laurentius (Laureys) van Aelst (°St. Niklaas 1654) huwde op 17 mei 1618 in Verrebroek met de 16-jarige Cathelijne Van Dael (St. Niklaas 1662). Zij was door haar familie mede-eigenares geworden van een 'coorenwintmeule gestaen in de Hooge Wilde te Verrebrouc'. Om die reden vestigde Laureys zich in Verrebroek en toen Cathelljne kort na de geboorte van hun kindje jong overleed (ze was pas 26 in 1679) werd hij eigenaar van de windmolen. Zijn negen kinderen uit het tweede huwelijk (1681) met Maria Van Strijdonck werden allen in Verrebroek geboren. De tweede zoon Petrus, die in 1726 op 37-jarige leeftijd stierf, had het molenbedrijf voortgezet. Ook de kinderen van het 7e kind, Jan-Baptist van Aelst (tweemaal gehuwd en vader van 21 kinderen) zijn allen in Verrebroek geboren. Het is uit deze tak dat onze tot nu toe bekende stamboom zich ontwikkelde. De meeste kinderen bleven in Verrebroek of omgeving, één vestigde zich in Kallo en twee in Zuiddorpe, Zeeuws-Vlaanderen, waarover later meer. Gezien de belangrijke plaats die Verrebroek voor onze familie geweest is, vinden wij het van belang de historische, sociale, kulturele, politieke en economische achtergrond van deze plek in vroegere tijden te omschrijven.

 

De naam 'Verrebroek','Brouc aen de Verre', verschijnt voor 't eerst in in een oorkonde van 1141 ondertekend door paus Innocentius II. Daarin bekrachtigt de paus de begiftiging door Iwein van Aelst (1) als heer van Waas, gedaan in 1139. Dit behelsde de priorij te Saleghem die hij in 1136 had laten bouwen en andere bezittingen, waaronder Verrebroek, die hij in 1139 aan de abdij van Drongen schenkt. De 'verre' was een waterloop die liep van Sint Gillis naar Kallo. Hiervan bleef slechts een kronkelende gracht over. Gedurende honderden jaren (zeker vanaf de 14e eeuw) vocht deze nederzetting tegen het woeste Scheldewater. Naast ellende bracht dat ook voorspoed gezien een rijke polderklei zich verspreidde over het land. Hier kwamen natuurlijk ook dammen en dijken aan te pas die beurtelings wegspoelden en weer opgebouwd werden. Na verloop van tijd lagen hier in de naakte vruchtbare polderstreek hoeven met uitgestrekte landerijen die bewerkt werden dankzij talrijke knechten en meiden.

 

Wat verder op 'de Hoogen Wilde' waar magere zandgronden gebleven waren, hadden de boeren kleinere percelen, bescheidener hofsteden en minder volk. Ook de turfwinning kwam tot ontwikkeling zodat de bevolking op de zandrug zich gevoelig uitbreidde. Moer- of veendelvers vonden hun broodwinning "up die moere in de woestine". Tot ca 1570 was Verrebroek een centrum van de turfwinning.

 

 

De parochiekerk alhier heet niet voor niets St. Laurentius, hij was de patroon van de turfstekers. Werken en wroeten was hier het parool. Van onze voorvaderen bleven de taaisten het volhouden ook als gevolg van de natuurlijke selectie (2). Maar tevens ontstonden sterke familiebanden. Om te eten en te drinken bestonden allerlei gelegenheden: gildefeesten, openbare verkopen, kermissen, jaarmarkten, bruiloften, doopfeesten, uitvaarten... Toch was het dorp voor de polderboer eerst en vooral de kerk. De zware kerktoren van Verrebroek wordt niet ten onrechte de 'Kathedraal van de Polder' genoemd. Pastoors - onuitwisbaar merkteken - waren onkreukbaar en hadden veel invloed. De boeremensen keken naar hen op en vervulden ijverig hun kerkelijke plichten. Rijkere lui deelden bij begrafenissen en jaargetijden brood aan den armen uit. Ook van onze eigen voorvaderen hebben wij heel wat voorbeelden gezien van eeuwigdurende 'fondatie voor de armen van Verrebroek'. Zo ook in 1762 "compareerde voor ons meyer borgemeester ende schepene der prochie van Verrebrouc, in persoone Joseph van Haelst , filius Jan-Baptist, welcken comparant verclaert mits desen aen armen disch van het selve Verrebrouc midts desen te verkennen een eeuwige rente van acht guldens 't jaers, waer voren de voornoemde armen sal moeten doen een eeuwige jaergetijde voor de comparanten hunne ouders, susters, broeders ende aen het rouwde (rouwplechtigheid) met Uytdeelen voor de voornoemde acht guldens om thien schellingen broodt 't jaers (3).

 

Tot ver in de 19e eeuw konden de meesten noch lezen noch schrijven. Zo moesten zij als getuigen bij doopsels, huwelijken en begrafenissen een kruis onderaan het register plaatsen (4): 

dit is het merck: X 

Sic X signat sponsus

Sic X signat sponsa 

 

Het Land van Waas maakte, politiek gezien, eertijds deel uit van het graafschap Vlaanderen. In dat gebied waren er echter enclaves o.a. heerlijkheden door de graaf geschonken aan zijn trouwe vazallen zoals de heer van Aalst. de heer van Beveren, enz . Sommigen onder hen dachten ook op tijd aan hun ziele zaligheid en deelden dan met milde hand en in een gezegende sfeer van devotie, eigendommen uit aan de Kerk en abdijen. 

 

Zo kwamen vele bezittingen in de polder toe aan de abdij van Drongen (zie de schenking door Iwein van Aelst hierboven). Omdat zij zelf al bekeerd waren wensten de heren dat het ware geloof ook aan hun onderdanen verkondigd werd. Monniken werden hier de eerste dorpspastoors. Omstreeks 1400 telde men in Verrebroek ongeveer 1600 inwoners. In 1574 was dit reeds opgelopen tot 2100 inwoners. Vanzelfsprekend begonnen de adellijke machthebbers hun gebieden ook te verpachten. Contracten, rekeningen, eigendommen werden opgemaakt door de kasteleins. De Heerlijkheid van Beveren waartoe ook Verrebroek behoorde, was een belangrijk moergebied van de graaf. Het leverde 85 % van al zijn moerpachten op.Het einde van deze bloeiperiode kwam met de onderwaterzettingvan de Scheldepolders tijdens de Spaanse bezetting. Nadat Alva in de Lage Landen meer dan 1150 mensen liet onthoofden (waaronder o.a. de edelen Egmont en Hoorn), maar de Beeldenstorm niet kon beletten, dreef Alexander Farnese de opstandige Zeeuwen steeds verder naar het Noorden. Om die opmars onmogelijk te maken hadden de Geuzen in 1583 de dijken van de polders doorgestoken. Dit overspoelde alle gronden die lager dan 4 m boven zeeniveau lagen. Van Hulst tot Beveren stond bijna alles onder water. Enkel de zandige hoogten rond Verrebroek en Kallo staken boven het water uit.De Spanjaarden bouwden versterkingen o.a. een fort in Verrebroek. Hierdoor bleef permanent een Spaans garnizoen op dit grondgebied. Steeds meer mensen gingen op de loop. Meer dan 150 hofsteden waren verwoest en een 40-tal andere waren onbewoonbaar door de overstroming. Zelfs op de drooggebleven grond rond de kerk en de dijk was het niet veilig. Plunderende soldaten deden zich te goed. De rug die boven water bleef uitsteken was ongeveer 250 ha. Hierop kon men wat vee laten grazen of grond bewerken. In 1615 noteerde de bisschop van Gent dat er geen pastoor was en dat er 6 tot 8 gezinnen rond de kerk van Verrebroek Woonden. Die kerk bestond toen enkel uit een toren.

 

 

Toestand rond Verrebroek omstreeks 1600. De dorpskernen Verrebroek, Kallo en Kieldrecht liggen boven water; dit zijn de zgn. 'donken'.

 

In 1616 wordt dan de Verrebroekpolder drooggelegd (5). Bewoners keren terug, militairen uit het fort kopen grond en vestigen zich hier. Verrebroek kwam tot 400 inwoners. Op de Hooge Wilde werd een nieuwe windmolen gebouwd, er was immers opnieuw graan om te malen. Toch kwam aan de ellende nog geen einde. Bij de Slag van Kallo in 1638 probeerden de Staatse troepen (= de Noordelijke Nederlanden) na het vertrek van Farnese Antwerpen te veroveren. Eerst hadden ze succes maar uiteindelijk werd Willem van Nassau na een bloedige strijd verslagen. Bij deze gebeurtenissen lag Verrebroek weer in puin. De bisschop van Gent, Antoon Triest noteerde bij zijn bezoek aan Verrebroek een maand na deze veldslag: 'we hebben de kerk bezocht , totaal vernield door ketters. Er zijn weinig inwoners: bijna allen zijn gevlucht. Hun huizen zijn vernield en hun akkers verwoest. De pastoor is hardhorig, maar dat moet voorlopig zo blijven tot een andere zal gevonden worden voor zo'n afschrikwekkende plaats'.

 

Tien jaar later, in 1648, regelde de Vrede van Munster de politieke verhoudingen. De Zuidelijke Nederlanden bleven in Spaanse handen. Toch betekende dit geen volstrekte vrede: de omringende landen, de Republiek van de Verenigde Provinciën, Engeland en Frankrijk, vochten geregeld een robbertje uit, soms tegen Spanje , soms onderling.

 

Aan die Spaanse tijd kwam een einde met het Verdragvan Utrecht (1713) waarbij de Zuidelijke Nederlanden in het bezit kwamen van de Habsburgers, zeg maar de keizer van Oostenrijk. Het werd de tijd van de Verlichting waarbij men in naam van de Rede alles met het gezond verstand probeer de te veranderen. We herkennen die tijd ook in de voornamenvan ons eigen geslacht: vele Jozef's en Maria-Theresia's.

 

Het einde van deze eeuw bracht weer sombere tijden: de Franse Revolutie (1789). Drie jaar later trokken de Franse revolutionaire legers de Oostenrijkse Nederlanden binnen en versloegen de troepen van de Weense keizer. Dit was in het begin een schrikbewind: kerken, abdijen en kastelen werden geplunderd en in puin geschoten. Soldaten met brede broekspijpen (schimpend 'sansculotten' = zonder broeken genoemd) sleepten duizenden boeken uit de bibliotheken en verwarmden zich aan hun vuur. Bisschoppen, pastoors, kasteelheren en anderen verdwenen achter de tralies of werden vermoord. Kerkelijke diensten waren verboden. In oktober 1797 ging ook de kerk van Verrebroek dicht. Pastoor Martena dook onder. Missen, doopsels en huwelijken werden in het geheim gehouden (6). Koster Pieter Vereecken probeerde kerkmeubilair dat openbaar verkocht werd, te recupereren.

 

De pastoor hield het niet lang uit en stierf op 24 juni 1803. ln 1804 werd zelfs de torenspits gehalveerd om er een semafoor ten gerieve van de Franse legers op te plaatsen. Het is ons allen bekend hoe ons land na de Slag van Waterlo (1815) deel uitmaakte van het Koninkrijk der Nederlanden wat in de hele streek maar weinig toenadering tot het Zeeuws-Vlaanderen van de Geuzen van weleer meebracht. Dat Verrebroek nadien in het Koninkrijk België (1830) evenmin gehoord werd, zal wel niemand verbazen.

 

Tot in deze eeuw waren een aantal stamgenoten burgemeester (of echtgenote van de burgemeester) van Verrebroek:

Jan-Baptist van Haelst: 1750 - 1761

Robertina van Haelst was gehuwd met burgemeester Joannes Paulus van der Elst: 1761 - 1770

Ferdinandus Gregorius van Haelst: 1798 - 1827

Petrus Franciscus van Haelst: 1848 - 1864

Verscheidene van voorouders liggen begraven in het koor van de kerk of hebben een grafsteen verwerkt in de buitenmuur van het koor.

 

Na de laatste restauratiefase, die aanving op 1 augustus 1978 en werd beëindigd op 4 juli 1979, waarbij vloeren werden opgebroken, stelde men met verbazing vast dat van de grafsteen van Laureys van Aelst geen spoor meer te vinden was, terwijl anderzijds de vier skeletten (drie mannelijke en één vrouwelijke) nog bij elkaar lagen. In de loop der tijden werden grafstenen nogal eens verplaatst: dit stelt men vast in bijna alle kerken. Het resultaat van de restauratie was evenwel schitterend: wellicht tooide de 'kathedraal van de polder' zich zodanig om alle speculanten van havenuitbreidingen in de toekomst af te schrikken (de totale kostprijs van deze opknapbeurt bedroeg dan ook 57 miljoen) (7).

 

En wat met de mensen van nu? Je vindt er geen 'Van Haelst'en" meer zoals weleer op één enkele uitzondering na. En de mensen zijn geen polderboeren meer. In de voorbije 25 jaar veranderde de gemeente op elk vlak: bouwstop, onteigening en gemeentefusies, inwijking en 'n schuchter begin van 'n ambachtelijke zone. De grote bedreiging is de moeilijk te stuiten uitbreiding van de Antwerpse haven met sluizen, dokken, enz. In de jaren '60 stelde een gewestplan voor de woongebieden Kallo, Doel, Meerdonk en Verrebroek in hun totaliteit te onteigenen! Er werd zelfs een algemeen bouwverbod afgekondigd. Later werd dit gelukkig afgezwakt tot de lijn Verrebroek-Kieldrecht in het westen en de expresweg Antwerpen-Zelzate in het zuiden. Er is in ieder geval veel verdwenen: landschappen, oude namen, dijken en rijke polders. Zelfs de horizon en de lucht van weleer. Toch heeft Verrebroek nog rond 1700 inwoners ook door het scheppen van woonruimten voor inwijkelingen die elke dag naar Antwerpen en St. Niklaas pendelen.

 

Is er nog wel iets herkenbaar van de vroegere eigenheid? Zijn er nog "Flippen"? (de bijnaam van de Verrebroekenaars naar hun idool: de 1648 in Verrebroek geboren anatoom-patoloog dr. Philip Verheyen). Ook hier geldt die ontroerende poëzie van Wim Sonneveld:

"dit dorp, ik weet nog hoe het was,

de boerenkinderen in de klas, 

een kar die ratelt op de keien, 

het raadhuis met een pomp ervoor,

een zandweg tussen koren door, 

het vee, de boerderijen ..." 

 

____________

(1) Deze mogelijke verre voorouder stierf in 1144. Zijn gedenkplaat siert de abdij van Drongen. 

(2) 'Goed beeld van het leven in de polderdorpen vindt U in het Poldermuseum van Lillo-Fort. 

(3) Uit Erfenisboeken Verrebroek Boek 30 blz. 266-267 

(4) Jan-Bapt.Van Haelst (†1761) had evenwel 'n prachtige handtekening(zie Ie zending 

(5) Tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-1621). In diezelfde periode werd ook de Autrichepolder bij Westdorpe aangelegd. Zie onder Familie De Meijer.

(6) Voor genealogen ia dit een zeer vervelende tijd. De parochieregisters werden immers niet regelmatig bijgehouden of zijn verdwenen, zodat men meestal niet over gegevens inzake geboorten, huwelijken en overlijdens beschikt.

(7) Of dit franken waren of euro's is niet vermeld.